Preventiebeleid: wat moet uw bedrijf wettelijk voorzien?
Elke Belgische werkgever met personeel heeft verplichtingen rond preventiebeleid — maar hoeveel en welke, hangt af van de grootte van uw bedrijf. Hieronder leest u wat dit concreet betekent.
De basisverplichting: een interne dienst
Volgens de Welzijnswet van 4 augustus 1996 en de Codex over het Welzijn op het Werk moet elke Belgische werkgever met minstens één werknemer een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk (IDPBW) oprichten. Die dienst bestaat uit minstens één preventieadviseur, die de werkgever en de werknemers bijstaat bij onder meer risicoanalyse, het opstellen van een preventieplan, en het onderzoek van arbeidsongevallen.
Bij minder dan 20 werknemers mag de werkgever deze rol zelf opnemen; de onderneming valt dan in groep D. Vanaf 20 werknemers, of in sectoren met hogere risico's, gelden strengere eisen — zie hieronder.
Indeling in 4 groepen (A, B, C, D)
De Codex verdeelt ondernemingen in vier groepen, op basis van het aantal werknemers én het risiconiveau van de sector. Deze indeling bepaalt welke opleiding uw preventieadviseur nodig heeft en welke taken verplicht intern versus extern moeten gebeuren.
| Groep | Omschrijving | Indicatieve drempel |
|---|---|---|
| Groep A | Zeer grote ondernemingen en/of een hoog risiconiveau | Meer dan 1.000 werknemers; in bepaalde sectoren al vanaf 500, 200 of 50 werknemers (bv. bouw, energie, chemie, petrochemie) |
| Groep B | Grote ondernemingen en/of een gemiddeld risiconiveau | 200 tot 1.000 werknemers; in dezelfde sectoren al vanaf 100, 50 of 20 werknemers |
| Groep C | Ondernemingen die niet tot groep A of B behoren | Minder dan 200 werknemers |
| Groep D | Kleinste ondernemingen waar de werkgever zelf de functie van preventieadviseur uitoefent | Minder dan 20 werknemers én de werkgever is zelf preventieadviseur |
Het risiconiveau van uw sector telt hierbij even zwaar mee als het aantal werknemers — een kleiner bedrijf in een hoogrisicosector kan dus toch in een hogere groep vallen. De exacte drempels en de koppeling aan uw sector staan in artikel II.1-2 van de Codex.
De groepsindeling bepaalt ook welke aanvullende opleiding vereist is (art. II.1-21 van de Codex). In groep A heeft de preventieadviseur die de interne dienst leidt een aanvullende vorming niveau I nodig, met minstens twee jaar ervaring als preventieadviseur; de andere preventieadviseurs die de wettelijke opdrachten uitvoeren, hebben minstens niveau II nodig. In groep B heeft de leidinggevende preventieadviseur minstens niveau II nodig. Voor groep C en D legt de Codex geen aanvullend niveau op, maar elke preventieadviseur moet wel over voldoende basiskennis van de welzijnswetgeving beschikken (art. II.1-20).
Wat betekent dit voor kleinere bedrijven?
Voor de meeste kmo's (groep C en D) betekent dit concreet:
- U moet minstens één preventieadviseur aanduiden. Bij minder dan 20 werknemers kunt u die rol zelf opnemen; uw onderneming valt dan in groep D.
- U heeft een risicoanalyse en een globaal preventieplan (meerjarenplan) nodig, aangevuld met een jaaractieplan.
- Voor een beperkt aantal specifieke taken bent u wettelijk verplicht een beroep te doen op een erkende externe dienst voor preventie en bescherming op het werk (EDPBW) — zie hieronder.
De wettelijk verplichte rol van een erkende EDPBW
Dit is een punt waar precisie belangrijk is. Een EDPBW is geen gewone benaming voor een externe consultant, maar een door de FOD Werkgelegenheid erkende en gereglementeerde organisatie, onderworpen aan wettelijke tarieven, minimumdienstverlening en toezicht. Voor werkgevers van groep C (zonder interne preventieadviseur niveau I of II) en groep D is aansluiting bij zo'n erkende EDPBW wettelijk verplicht (art. II.1-10 van de Codex) voor:
- het advies over de risicoanalyse (art. II.1-4, eerste en tweede lid, 1° van de Codex);
- het onderzoek van arbeidsongevallen met minstens 4 dagen arbeidsongeschiktheid, en de maatregelen om herhaling van ernstige arbeidsongevallen te voorkomen.
Daarnaast moet elke werkgever die intern geen eigen medische afdeling heeft — in de praktijk vrijwel elke kmo — het gezondheidstoezicht op zijn werknemers door een erkende EDPBW laten uitvoeren (art. II.1-10, §1 van de Codex).
Dit zijn de belangrijkste wettelijk voorbehouden taken. Welke dienstverlening voor uw onderneming concreet verplicht is, hangt af van de groep waartoe u behoort en van de deskundigheid die u intern heeft.
Deze taken kunnen niet worden ingevuld door een niet-erkende externe partner, ongeacht diens ervaring of diploma. De lijst van erkende EDPBW's is raadpleegbaar via de FOD Werkgelegenheid.
Daarnaast is er, los van deze wettelijk voorbehouden taken, vaak nood aan bijkomende, praktische ondersteuning: het uitwerken van een preventiebeleid, toolboxmeetings, werkplekinspecties, procedures en opvolging. Dat is het terrein waarop de preventieondersteuning u bijstaat — als aanvulling op, en nooit als vervanging van, de wettelijk verplichte EDPBW-taken hierboven.
Laatst bijgewerkt:
Niet zeker of uw onderneming aan alle preventieverplichtingen voldoet? TVCA Consulting helpt u de huidige situatie in kaart te brengen en begeleidt u naar een praktisch preventiebeleid. Lees meer over de preventieondersteuning.
